Rondom een spelersbus is het nooit rustig, vooral bij Ajax. © Floris Roos

Het is zo'n anderhalf uur voor de aftrap van FC Utrecht - Ajax als ik arriveer bij Stadion Galgenwaard. Daar waar de Amsterdamse spelersbus ieder moment kan arriveren, staan plukjes Utrechtfans te wachten. De gesprekken gaan over de wedstrijd. En over die arrogante Amsterdammers.

Ik hoor vier volwassen mannen getooid met Utrechtpetjes en -sjaaltjes met elkaar ouwehoeren. De naderende komst van de bezoekers uit de hoofdstad houdt de gemoederen bezig. Ik vat het gesprek hieronder even kort samen:

“Van welke kant komt de spelersbus eigenlijk? Of zijn ze er al,” vraagt Utrechtpetje 1, waarop petje 2 naar rechts wijst. “Van die kant. Je herkent 'm zo. Rood met op de zijkant ‘Wij zijn Ajax’. Hoe arrogant wil je zijn als club?” Er wordt gelachen en gepocht. “We staan niet bij elke thuiswedstrijd op de bus te wachten, hoor,” verontschuldigt één van de Utrechters zich tegenover een voorbijganger. “Maar het zijn wel de neuzen hè?” Zonder dat hij het doorheeft is dit allemaal tamelijk veelzeggend.

Dan plots lichte opwinding. Beweging! Politieagenten praten door hun porto's en cameraploegen maken zich klaar. Vanaf rechts verschijnt een rode bus. “Dáár is hij,” roept Utrechtpetje 3 tot zijn schrik veel enthousiaster dan hij eigenlijk van plan was. De chauffeur draait de veelwieler vlotjes het terrein op, om deze vervolgens behendig achteruit tussen de hekken in te parkeren.

Terwijl de deuren openslaan en de Ajacieden uitstappen, kijk ik achter me. Het is verdacht stil. De mannen die zojuist nog het hoogste woord hadden, staan nu heel zoet te kijken. Als kleine jongens. Twee zelfs met de handen op de rug. De stoere praat is ineens ver weg. De mannen kijken zwijgend hoe de Ajacieden hun spullen pakken. Het is de magie van de spelersbus.

Kluivert lijkt op schoolreisje met op zijn rug een pakje limonade en een mandarijntje.

“Die Sánchez, wat een beer,” hoor ik nog wel achter me fluisteren. Achter hem kleine Kluivert die een lief klein rugtasje draagt. Hij lijkt op schoolreisje met op zijn rug een pakje limonade en een mandarijntje. Met de spelers binnen, keert prompt de stoere praat terug. “Die Schöne is wel oké, maar de anderen zijn allemaal verwende jochies.” Ik kan een glimlach niet onderdrukken.

Tijdens de wedstrijd zit hetzelfde viertal een aantal rijen voor me. Als Schöne een strafschop hopeloos mist, vliegen ze elkaar in de armen. Galgenwaard explodeert en het “Schöne bedankt” rolt begrijpelijkerwijs al snel van de tribunes. Het is een gevalletje te vroeg plagen, blijkt als de Deense middenvelder wat later van een meter of negentien op doel kogelt: 0-1. Een werkelijk geweldige treffer en het uitvak wordt gek. Mooi gezicht. Het roept ook een vraag op: moet Schöne penalty’s voortaan niet gewoon van die afstand nemen?

Als Björn Kuipers voor het laatst fluit, zoek ik de vier mannen. Ze zijn al weg. Maar ik denk te weten waar ze zijn. Ze speuren vast naar een goed plekje om de Amsterdamse spelersbus uit te zwaaien.

Wel handen op de rug, hoor, heren!

Reacties