Over en uit. Ajax neemt als kampioen afscheid van De Meer. © Pro Shots

28 april 1996. Het moment is daar: de allerlaatste keer De Meer. Nog één keer kijken, nog één keer voelen. En o ja, Ajax wordt uiteraard landskampioen.

Ongeveer op het moment dat mijn linkerschoen de treeplank van lijn 9 verlaat en mijn rechter op het asfalt van de Middenweg landt, is daar de brok in mijn keel.

Nog één keer met de meute het laatste stuk lopen, van de Kruislaan naar het stadion. Nog één keer langs de kassahokjes aan de Diemenzijde. Nog één keer het trainingsveld links van me. Nog één keer de ongelijkmatige, rommelige façade bekijken, met die fiere letters 'AJAX' er bovenop.

Nog één keer die urinegeur vanachter het pismuurtje aan de Diemenzijde. Nog één keer dringen voor de rode zeecontainer die de opgang naar mijn vak vormt. Nog één keer het holle, knarsende geluid van de draaihekjes en de uit duizenden herkenbare galm op de trap naar vak G, míjn vak.

Nog één keer. Goed kijken, goed voelen, goed onthouden, want het onvermijdelijke moment is daar: 28 april 1996, Ajax - Willem II, de aller-, allerlaatste keer De Meer. Ik zie supporters rondlopen met fotocamera’s. Stom. Ik had ook zo'n wegwerpding moeten kopen. Niet aan gedacht, niet mijn gewoonte.

Ajax gaat tegen het uitgespeelde Willem II kampioen worden, daar twijfelt geen mens aan. Landstitel nummer 26. In het Olympisch Stadion, tegen Panathinaikos, woog de Champions League-spanning zwaarder dan de melancholie van het afscheid. Dat is nu andersom.

Nog één keer het holle, knarsende geluid van de draaihekjes.

Wel schitterend natuurlijk dat Ajax het licht in De Meer voor het laatst uit gaat doen als Nederlands, Europees én wereldkampioen, maar door de euforie en de trots sijpelt de weemoed - en dat terwijl de bal nog niet eens rolt.

Nog één keer dat spelletje dat zo bij deze plek is gaan horen: de Diemenzijde scandeert de naam van een speler, net zo lang tot hij even zwaait. Door naar de volgende. Finidi beantwoordt zijn yell met een dansje en een pirouette, zoals vaker. Lachen. Het is een knus, huiselijk soort Amsterdamse lol. Zal het anders worden, in de Arena?

Voetballen maar. Ajax schiet als een renpaard uit de startblokken en overspoelt Willem II. Nog één keer een goal in de eerste paar honderd seconden, zoals dat hier zo vaak gebeurde? Nee, Ajax laat de eerste trits kansen liggen, maar na achttien minuten hangt-ie. Wooter brengt de bal voor het doel en daar is Jari Litmanen met een formidabel soort halve omhaal, een vallende volley, die achter Jimmy van Fessem tegen de touwen slaat.

Dat gejuich, die typische klank van het applaus: scherp, fel, klaterend. “Tien, tien, tien!”

Voor rust beluister ik het nog twee keer: dat prachtige, prachtige geluid van een juichende Meer, onder de overkapping van de Diemenzijde. Corner van Hoekstra en goal! Draait-ie er nou in één keer in? Raakt Van Fessem de bal nog? De kruin van Frank de Boer? Hoe dan ook, het is 2-0 en boem, daar is de derde al: schuiver van Finidi. 3-0 bij rust. Tot zover de kampioensstress, voor zover daar überhaupt sprake van was.

In de rust praten we, lachen we, keten we als altijd, maar zwijgen we af en toe ook even. Dan gaan de blikken het stadion rond. Het vak. Het woud van hekken, tralies en gaas voor ons vak. Het veld. De Jaap van Praagtribune links, de Reynoldstribune rechts. Het scorebord aan de overkant. Het timbre van de omroeper. De herkenbare vorm van de lichtmasten.

Het is zo vertrouwd, zo dierbaar. Dertien jaar lang kwam ik hier, in de jaren tachtig een paar keer per seizoen, vanaf 1989 vaker, en sinds 1992 bij elke wedstrijd. Onvoorstelbaar dat dit stadion over een paar maanden, ergens in de zomer, tegen de vlakte zal gaan. Weg. Voorgoed.

Het is zo vertrouwd, zo dierbaar. Dertien jaar lang kwam ik hier.

Het wordt 5-1. Finidi, de man die zo lang uit vorm was, maakt een hattrick. Het tegendoelpunt van Jack de Gier zal het laatste in De Meer blijken. Leuk voor voetbalquizjes. Reiziger en Davids, die bekend hebben gemaakt dat ze Ajax gaan verlaten, krijgen samen een applauswissel.

Daar zijn het eindsignaal en de vreugde. Het was geen vlekkeloos seizoen, Ajax had het lange tijd moeilijk met zichzelf én PSV, maar uiteindelijk was de overmacht toch weer vrij groot. De titel is binnen, na 33 speeldagen. PSV heeft verloren van Sparta, dus het gat is toch weer vrij groot: acht punten.

De schaal. De ereronde. We stoten elkaar aan. Kom, wegwezen, op naar het Leidseplein voor de huldiging. En dan... de siddering. This is goodbye. Kijken. Voelen. Nog één keer.

Het gedrang op de trap. Het knarsen van het draaihekje. Had ik er maar een geluidsopname van. Vasthouden. Archiveren. Nooit vergeten.

Ik kan morgen nog langsfietsen. En overmorgen ook. Er komt nog een soort afscheidsfeest, waarvoor de kaarten duur zijn. Ik kan nog terugkeren. Nog vijftig keer, als ik wil. Maar plots ben ik resoluut. Ik ga niet terug. Ik ga cold turkey. Mijn afscheid van De Meer is vandaag, op deze dag van glorie. Ik zal deze plek nooit meer zien zoals hij nu is.

Staand in tram 9 moet ik een beetje door mijn knieën zakken om nog één keer naar buiten te kijken en de gevel te zien. Dag De Meer, dag kampioenenhuis, dag klein, fijn stadion. Wat heb je me veel gegeven. Wat hebben we een lol gehad.

De tram schokt en zet zich knerpend in beweging. Ik knijp mijn ogen dicht.

Reacties