Getekend, Sjaak Swart. Mister Ajax himself.
Het staat er toch maar mooi, op de kaft van de autobiografie die onlangs aan mijn indrukwekkende collectie Ajax-boeken is toegevoegd. Met zijn handtekening er onder én het rugnummer 8 in een kringetje er naast. Dat je Ajacied niet met een ‘x’ schrijft, maar met een ‘c’ vergeef ik hem.
Alhoewel, als Mister Ajax himself het met een ‘x’ schrijft, moeten wij eenvoudige stervelingen ons dan niet schikken en het in het vervolg ook met een ‘x’ schrijven? Ik bedoel, we hebben het hier wél over een échte Godenzoon. Die staan boven de wet, nietwaar?
Wel vreemd trouwens, om je rugnummer bij je handtekening te plaatsen. Alsof hij bang is dat men het vergeet, dat ‘ie al die jaren met de 8 op zijn rug speelde. Nou Sjaak, ik wil je wel even geruststellen hoor. Sommige rugnummers vergeet je niet. 14: Johan Cruijff. 10: Dennis Bergkamp. 9: Marco van Basten. 4: Frank Rijkaard. 3: Danny Blind 2: John Heitinga. En dus; 8: Sjaak Swart. Erelid van de AFC Ajax.
Ik ben dan ook zo trots als een pauw met zijn handtekening in mijn boek. Schitterend.
Ik heb het boek nog niet helemaal kunnen lezen. Een paginaatje hier, een alineaatje daar, meer niet. Ik denk echter, nee ik wéét, dat het smullen wordt. Want laten we wel wezen, een hang naar het verleden kan de huidige AjaXied niet worden ontzegd. Van het heden moeten we het -weer- niet hebben.
Dan maar lekker mijmeren over vroeger. Hoe het was toen Ajax nog Ajax was. Een stuk of negen Amsterdammers in de basis. De beste van Nederland, ieder jaar weer (en als we dat niet waren, dan waren we het tóch). Lachen om de rest.
De laatste jaren echter, wordt er een beetje om óns gelachen. En dat is erg. Heel erg. Zoals Menno Pot het onlangs treffend verwoordde, beginnen we zelfs al symptomen te vertonen van het Calimero-complex. “Piep-piep, de scheidsrechters zijn tegen ons piep-piep. Net als de KNVB piep-piep.” Brrr.
Dat had je in de tijd van Sjaak Swart niet. Wat dat betreft spreekt de volgende passage boekdelen. Bladzijde 27. Leest u even mee?
Voorafgaand aan een interview vraagt iemand van de organisatie aan Sjaak of hij en Lucky Ajax nog vaak worden uitgenodigd om een wedstrijd te komen spelen. “Steeds meer. Zegt Lucky Ajax-voorman Swart zonder een spier te vertrekken. Het eerste willen ze niet meer, dus dan vragen ze ons.”