Ronald de Boer blijft doen waar fans later dankbaar voor zijn. © Pro Shots

Zaterdag 7 januari. Ik ben in Haarlem voor de traditionele Nieuwjaarswedstrijd tussen de Koninklijke HFC ‘all-stars’ en de ex-internationals onder leiding van Sjaak Swart.

Ik kijk elk jaar weer uit naar dit treffen. Volgende week start de eredivisie pas weer, dus om de tijd de doden is het aardig om voormalig helden van de velden aan het werk te zien. Het heeft tegelijkertijd ook iets pijnlijks. De confrontatie met het feit dat we allemaal ouder worden, het komt nergens zo hard aan als langs het waterkoude veld in de Spaarnestad.

In het programmaboekje wordt Johnny Heitinga aangekondigd als debutant, maar ‘Big John’ schittert door afwezigheid. Er is wel een andere verrassing… Onaangekondigd stiefelt John van ’t Schip met sporttas richting kleedkamer. Vrouwen van middelbare leeftijd zien hem en trekken een sprintje, een slakkenspoor achterlatend. Voor de arme ‘Schippie’ er erg in heeft, is hij onderdeel van een heuse ‘groepsselfie’. De vrouwen gillen het uit. Weer even tieners. De voormalig vleugelflitser ziet er nog altijd jongensachtig uit en kan het gegiebel van de dames wel waarderen.

De selectie van Swart herbergt sowieso veel ex-Ajacieden, waaronder Martijn Reuser. Het typische loopje is er nog altijd. Van grote afstand zie je al dat hij het is, hoewel z’n postuur verraadt dat hij al een poosje profvoetballer af is. In de jaren negentig hing Reuser in menig slaapkamer boven de bedden van tienermeisjes. Meisjes uit mijn klas vonden hem een lekker ding. Oh ja, en hij voetbalde ook nog.

 In de jaren negentig hing Reuser in menig slaapkamer boven de bedden van tienermeisjes.

De oud-aanvaller van Ajax speelde slechts één echte interland. Tegen Ghana. Vriendschappelijk. Hij heeft inmiddels meer interlands als ex-international op z’n naam. Tegen HFC is hij nadrukkelijk op zoek naar een treffer. Hij moppert verontwaardigd als hij wordt overgeslagen. Geïrriteerd gooit hij de handen de lucht in, om erna goed te anticiperen op een lage voorzet. Reuser drukt niet gelijk af, maar neemt de bal met een schijntrap aan. De keeper gaat al naar de hoek en de voormalig posterboy tikt in de andere hoek binnen.

Ondertussen speurt de aanwezige jeugd naar bekende Oranjehemden. Frank en Ronald worden uiteraard herkend. Van Hooijdonk ook. Dan wordt het al gauw moeilijk, blijkt al snel als ik een knaapje naast mij hoor praten tegen z’n vader.

"Kijk papa, dat is Arjen Robben."
"Nee lieverd, dat is Tim de Cler."
"Wie? Die ken ik niet."

Zelf hou ik vooral Ronald de Boer in de smiezen. Nog altijd mijn held. De bewondering blijft. Als iemand ‘functioneel technisch perfect’ kon voetballen, dan was hij het. En hoewel de vergankelijkheid ook Ronald treft, zie ik ook afgelopen zaterdag onmiskenbaar de sporen van de geweldige voetballer die hij was. De simpele lichaamsschijnbeweging en het overzicht. Ze zijn er nog altijd.

Zelf hou ik vooral Ronald de Boer in de smiezen. Nog altijd mijn held.

Ronald blijft voor altijd de man van het stiftje tegen AC Milan in het Olympisch Stadion. Dergelijke handigheidjes beheerst hij nog, blijkt als Reuser hem de bal toeschuift binnen de zestien. In plaats van een hard schot volgt een geniaal lobje over de kansloze keeper.

Het gebeurt op zo’n tien meter van mij vandaan. Ik kijk er dankbaar naar. En naar de mannen in oranje. Die veteranen die mij in hun gloriedagen als international zoveel moois boden. De tijd doet zijn werk. Bij iedereen. Maar verdorie, ze brachten mij weer, net als toen, een glimlach op het gezicht.

Reacties